Supramoleculaire chemie: hoe moleculen zichzelf organiseren
Stel je een doos LEGO voor, maar dan een waarbij de blokjes elkaar zelf weten te vinden en automatisch de juiste vorm bouwen zodra je ze door elkaar schudt. Zoiets probeert supramoleculaire chemie te doen, maar dan met moleculen. In plaats van atomen met sterke, vaste verbindingen aan elkaar te lassen (wat gewone scheikunde doet), laat deze tak van de wetenschap kant-en-klare moleculen elkaar herkennen en met zwakke, losse verbindingen aan elkaar plakken. Het resultaat is materie die zichzelf opbouwt, zich kan herstellen als hij kapotgaat, of reageert op zijn omgeving.
Een bekend voorbeeld uit de natuur maakt het concreet: de twee strengen van DNA zitten niet vastgelast, maar worden bij elkaar gehouden door waterstofbruggen, een relatief zwakke aantrekkingskracht tussen moleculen. Daardoor kan de dubbele helix openritsen wanneer een cel zich deelt, en daarna weer keurig sluiten. Supramoleculaire chemici proberen dat principe na te bootsen in kunstmatige materialen: sterk genoeg om samen te blijven, zwak genoeg om weer los te laten wanneer dat nodig is.
Wat is het precies?
In de klassieke scheikunde bouw je moleculen door atomen met covalente bindingen aan elkaar te knopen: sterke, vrijwel onbreekbare verbindingen waarbij atomen elektronen delen. Supramoleculaire chemie gaat een niveau hoger. Ze bestudeert hoe complete, al bestaande moleculen elkaar vinden en met elkaar een groter geheel vormen, zonder dat er nieuwe covalente bindingen ontstaan. De term "supramoleculair" betekent letterlijk "boven het moleculaire niveau".
De krachten die daarbij een rol spelen zijn stuk voor stuk zwak vergeleken met een covalente binding, maar samen kunnen ze verrassend stevig zijn. Denk aan waterstofbruggen (een licht positief waterstofatoom dat wordt aangetrokken door een negatief deel van een ander molecuul), Van der Waalskrachten (een zeer zwakke aantrekking tussen alle moleculen die dicht bij elkaar komen), ionische interacties (aantrekking tussen positief en negatief geladen delen) en pi-stapeling (het "op elkaar stapelen" van vlakke, ringvormige moleculen zoals in grafiet). Ook het hydrofobe effect speelt mee: in water klitten vetachtige moleculen samen omdat water hen als het ware naar elkaar toe duwt.
Centraal staat het idee van moleculaire herkenning: een molecuul heeft een vorm en een verdeling van lading die precies past bij een ander molecuul, zoals een sleutel in een slot. Dit heet ook wel host-guest chemie: een "gastheer"-molecuul met een holte vangt een kleiner "gast"-molecuul dat er precies in past. Het schoolvoorbeeld zijn kroonethers, ringvormige moleculen die metaalionen kunnen omsluiten. Ze werden in 1967 ontdekt door de Amerikaanse chemicus Charles Pedersen. Wanneer je zulke bouwstenen mengt, ordenen ze zich vanzelf tot grotere, herhalende structuren: dit proces heet zelfassemblage.
Het vakgebied kreeg zijn naam en theoretische basis dankzij de Franse chemicus Jean-Marie Lehn, die eind jaren zeventig de term "supramoleculaire chemie" introduceerde. In 1987 kregen Pedersen, Lehn en de Amerikaan Donald Cram gezamenlijk de Nobelprijs voor de Scheikunde voor hun werk aan moleculen met zeer selectieve, structuurafhankelijke interacties.
Wat wil men ermee bereiken?
De belofte van supramoleculaire chemie is dat je materialen en systemen "van onderop" kunt bouwen, met eigenschappen die je met traditionele, star covalent verbonden materialen niet krijgt. Omdat de verbindingen omkeerbaar zijn, kun je materialen maken die zichzelf herstellen na beschadiging: breekt een verbinding, dan kan hij zich elders opnieuw vormen.
Een tweede doel is precisie in de geneeskunde. Met host-guest chemie kun je medicijnmoleculen "verpakken" in een dragermolecuul, zodat ze beter oplossen, stabieler blijven of pas op de juiste plek in het lichaam vrijkomen.
Daarnaast hopen onderzoekers moleculaire machines te bouwen: piepkleine schakelaars, motortjes en pompjes die op moleculair niveau werk verrichten, vergelijkbaar met de eiwitmotoren die al miljarden jaren in levende cellen actief zijn. Ook duurzaamheid speelt mee: omdat supramoleculaire bindingen omkeerbaar zijn, kunnen materialen in theorie makkelijker uit elkaar gehaald en hergebruikt worden dan klassieke kunststoffen met onomkeerbare covalente bindingen.
Voorbeelden uit de praktijk
Zelfherstellend rubber (SupraPolix, Eindhoven). Op basis van onderzoek van hoogleraren Bert Meijer en Rint Sijbesma aan de TU Eindhoven ontwikkelde het spin-offbedrijf SupraPolix een klasse moleculen genaamd ureidopyrimidinonen (afgekort UPy), die via waterstofbruggen omkeerbare polymeerketens vormen. Dit levert rubber en coatings op die na een beschadiging (deels) vanzelf weer aan elkaar "klikken".
Moleculaire machines (Nobelprijs 2016). Jean-Pierre Sauvage, Fraser Stoddart en de Nederlandse chemicus Ben Feringa (Rijksuniversiteit Groningen) kregen de Nobelprijs voor de Scheikunde voor het ontwerpen en bouwen van moleculaire machines: mechanisch ineengrepen moleculen zoals rotaxanen (een ring om een staafmolecuul geregen) en catenanen (twee ineengeschakelde moleculaire ringen), en zelfs een moleculaire "auto" met vier draaiende molecuulwieltjes. Deze structuren worden vaak opgebouwd met behulp van supramoleculaire sjablonen, waarna sommige verbindingen alsnog covalent worden vastgezet.
Cyclodextrines in consumentenproducten. Cyclodextrines zijn ringvormige suikermoleculen met een holte die geurstoffen of medicijnmoleculen kan opsluiten. Ze worden onder meer gebruikt in geneesmiddelformuleringen om de oplosbaarheid van werkzame stoffen te verbeteren, en in het luchtverfrisserproduct Febreze van Procter & Gamble, waar ze geurmoleculen vasthouden totdat ze langzaam weer vrijkomen.
Metal-Organic Frameworks (MOF's). Scheikundige Omar Yaghi (University of California, Berkeley) ontwikkelde poreuze, kristallijne netwerken van metaalionen en organische bouwstenen die via coördinatiebindingen (een vorm van niet-covalente wisselwerking) een driedimensionaal rooster vormen met een enorm inwendig oppervlak. MOF's worden onderzocht voor gasopslag, koolstofafvang en het onttrekken van drinkwater aan droge lucht.
DNA-origami. In 2006 publiceerde onderzoeker Paul Rothemund (destijds Caltech) een methode om een lange DNA-streng met kortere "nietjes"-strengen te vouwen tot vooraf ontworpen tweedimensionale vormen, dankzij de zelfassemblerende eigenschappen van DNA-basenparing. Deze techniek, DNA-origami genoemd, wordt sindsdien gebruikt om nanostructuren te bouwen voor onder meer medicijnafgifte en biosensoren.
Hoe ver is de techniek?
Supramoleculaire chemie is geen toekomstbelofte meer, maar deels ook alledaagse praktijk. Cyclodextrines zitten al decennia in geneesmiddelen en consumentenproducten, en zelfherstellende coatings en rubbers van bedrijven als SupraPolix worden industrieel toegepast. Dat zijn relatief "rijpe" toepassingen.
Andere onderdelen van het vakgebied zijn nog vooral fundamenteel onderzoek. Moleculaire machines zoals die van de Nobelprijswinnaars van 2016 werken indrukwekkend in het laboratorium, maar zijn nog ver verwijderd van praktische toepassingen buiten de onderzoeksomgeving: ze zijn traag, hebben vaak specifieke oplosmiddelen of energiebronnen nodig, en zijn lastig op te schalen. MOF's bewegen zich middenin dat spectrum: sommige varianten worden al getest in pilotprojecten voor waterwinning en gasopslag, maar grootschalige, betaalbare productie is nog een uitdaging.
Een terugkerend obstakel is dat de zwakke bindingen die supramoleculaire systemen hun bijzondere eigenschappen geven, ze ook gevoelig maken voor temperatuur, vocht en mechanische belasting. Wat in een gecontroleerde laboratoriumopstelling stabiel is, kan onder praktijkomstandigheden sneller afbreken of anders reageren. Sinds de Nobelprijs van 1987 is het aantal wetenschappelijke publicaties op dit gebied wel gestaag gegroeid, met duizenden artikelen per jaar, wat duidt op een volwassen maar nog volop in ontwikkeling zijnd onderzoeksveld.
Wie werken eraan?
Nederland speelt internationaal een opvallend grote rol in dit vakgebied. Aan de TU Eindhoven onderzoekt het Institute for Complex Molecular Systems onder leiding van onder anderen Bert Meijer al decennia supramoleculaire polymeren. Aan de Rijksuniversiteit Groningen leidt Ben Feringa een onderzoeksgroep die zich richt op moleculaire schakelaars en motoren. Ook de Radboud Universiteit Nijmegen heeft actieve groepen op het gebied van supramoleculaire en systeemchemie.
Internationaal zijn onder meer Northwestern University in de Verenigde Staten (voortbouwend op het werk van Fraser Stoddart) en de University of California, Berkeley (Omar Yaghi en MOF-onderzoek) belangrijke centra. In Duitsland doen verschillende Max Planck-instituten fundamenteel onderzoek naar zelfassemblage, en de Universiteit van Straatsburg in Frankrijk bouwt voort op de erfenis van grondlegger Jean-Marie Lehn. Op bedrijfsniveau vertaalt onder meer het Eindhovense SupraPolix academisch onderzoek naar commerciële materialen, terwijl farmaceutische en consumentenproductbedrijven cyclodextrine- en andere host-guestchemie toepassen in hun formuleringen.
Verder lezen
- Nobelprize.org – achtergrond bij de Nobelprijzen Scheikunde van 1987 en 2016
- TU Eindhoven – onderzoek naar supramoleculaire en complexe moleculaire systemen
- Rijksuniversiteit Groningen – onderzoeksgroep Ben Feringa
- Royal Society of Chemistry – vakinformatie en tijdschriften over supramoleculaire chemie
- American Chemical Society Publications – wetenschappelijke tijdschriften zoals Chemical Reviews