Structurele kleur: hoe nanostructuren licht buigen tot kleur
Denk aan een zeepbel: het vlies zelf is kleurloos, en toch zie je regenboogtinten over het oppervlak bewegen zodra het licht verandert. Die kleuren zitten niet in een verfstof, maar ontstaan doordat het extreem dunne laagje water licht op een speciale manier terugkaatst. Dat is in de kern wat structurele kleur is: kleur die niet komt van een pigment dat licht opslokt, maar van een fysieke structuur die zo klein is dat ze met lichtgolven zelf in wisselwerking treedt.
In de natuur is dit verschijnsel overal te vinden. De felblauwe vleugels van de Morpho-vlinder bevatten helemaal geen blauwe kleurstof; microscopisch kleine schubjes met een gelaagde structuur buigen het licht zodanig dat vooral blauw terugkomt. Hetzelfde geldt voor de iriserende staartveren van een pauw, de glans van sommige kevers en het kleurenspel in een opaal. Onderzoekers en bedrijven proberen dit natuurlijke trucje na te bootsen, omdat kleur op deze manier maken grote voordelen kan hebben ten opzichte van klassieke verf en kleurstoffen.
Wat is het precies?
Gewone kleur, zoals die van verf, textielverf of de meeste inkt, werkt met pigmenten: chemische stoffen die bepaalde golflengtes van licht absorberen en andere terugkaatsen. Een rode verf absorbeert groen en blauw licht en laat vooral rood over. Dat proces is scheikundig van aard en gebeurt op moleculair niveau.
Structurele kleur werkt heel anders: het is puur natuurkundig, geen scheikunde. De kleur ontstaat doordat licht botst op een structuur waarvan de afmetingen ongeveer net zo groot zijn als de golflengte van zichtbaar licht, dat is grofweg tussen de 400 en 700 nanometer (een nanometer is een miljardste meter). Bij zulke kleine afstanden gaan lichtgolven met elkaar interfereren: ze versterken of doven elkaar uit, afhankelijk van de precieze afstand die ze hebben afgelegd.
Er zijn een paar hoofdmechanismen. Bij dunnefilminterferentie, zoals bij de zeepbel, kaatst licht deels terug van het bovenoppervlak en deels van het onderoppervlak van een dun laagje. Die twee lichtstralen lopen een klein beetje uit de pas en versterken daardoor bepaalde kleuren. Bij een fotonisch kristal gaat het om een regelmatig, herhalend patroon van nanostructuren, vergelijkbaar met hoe een gewoon kristal atomen in een rooster ordent, maar dan met bouwstenen ter grootte van lichtgolven in plaats van atomen. Zo'n rooster laat bepaalde golflengtes wel door of terugkaatsen en andere niet. Bij diffractie, zoals op de achterkant van een cd of dvd, buigt licht af op een fijn rooster van groefjes, waardoor het uiteenvalt in de kleuren van de regenboog. En bij coherente verstrooiing kaatsen talloze piepkleine, onregelmatig verspreide structuurtjes licht op een manier terug die toch een duidelijke kleur oplevert, zoals bij sommige blauwe vogelveren.
Een belangrijk kenmerk van structurele kleur is dat ze vaak irisatie vertoont: de kleur verandert een beetje afhankelijk van de hoek waaronder je kijkt of waaronder het licht invalt. Dat komt doordat de afstand die het licht binnen de structuur aflegt verandert met de kijkhoek. Pigmentkleur doet dat niet; rode verf blijft rood, van welke kant je ook kijkt.
Wat wil men ermee bereiken?
De belangrijkste drijfveer is duurzaamheid. Veel klassieke kleurstoffen en pigmenten zijn giftig, moeilijk afbreekbaar of vervuilen bij productie het water. Structurele kleur gebruikt vaak alleen doorzichtige, ongevaarlijke materialen zoals cellulose (een bouwstof uit plantencellen), silica (kiezelzuur) of bepaalde kunststoffen, geordend in de juiste nanostructuur. Als je hetzelfde kleureffect kunt bereiken zonder chemische kleurstof, zou dat textiel-, verf- en cosmeticaproductie een stuk schoner kunnen maken.
Een tweede voordeel is duurzaamheid in de andere betekenis: kleurechtheid. Pigmenten kunnen door zonlicht chemisch afbreken en verbleken. Een structuur van niet-reactieve materialen verandert niet chemisch en kan daardoor in principe zijn kleur veel langer behouden.
Daarnaast zijn er toepassingen die inspelen op juist het veranderlijke karakter van structurele kleur. Omdat de kleur verschuift als de nanostructuur van vorm verandert, bijvoorbeeld door uitzetting bij vocht, rek bij mechanische spanning, of temperatuur, kun je er een soort ingebouwde kleurensensor van maken die in één oogopslag laat zien of iets te vochtig, te warm of te veel belast is. Ook voor beveiliging tegen namaak is dit interessant: een kleurpatroon dat van kijkhoek verandert is met een gewone kleurenprinter niet na te maken.
Ten slotte is er interesse vanuit de beeldschermindustrie: schermen die licht reflecteren in plaats van zelf licht uitzenden, gebruiken veel minder energie dan een gewone lcd- of oledscherm, omdat ze geen achtergrondverlichting nodig hebben.
Voorbeelden uit de praktijk
Een bekend, veelgeciteerd voorbeeld is Morphotex, een textielvezel van het Japanse bedrijf Teijin die begin jaren 2000 werd ontwikkeld. De vezel bestond uit gelaagde kunststoflagen die, net als bij de Morpho-vlinder, blauw licht terugkaatsten zonder dat er een druppel kleurstof aan te pas kwam. Het idee kreeg veel aandacht in ontwerp- en duurzaamheidskringen, maar de productie bleek te duur om tegen gewone geverfde stoffen te concurreren; naar verluidt is de vezel rond 2010 uit productie gehaald.
In de schermwereld ontwikkelde chipmaker Qualcomm de Mirasol-technologie, gebaseerd op zogeheten interferometric modulation (IMOD): piepkleine, individueel aanstuurbare spiegeltjes die door interferentie een kleur laten zien, zonder achtergrondverlichting. Het beloofde zeer zuinige, in zonlicht goed afleesbare schermen, en werd rond 2010 in enkele e-readers en smartwatches toegepast. Het is nooit doorgebroken naast lcd en later oled, en Qualcomm heeft het project uiteindelijk stopgezet.
Aan de onderzoekskant is de groep van hoogleraar Silvia Vignolini aan de University of Cambridge bekend van werk aan structurele kleur op basis van cellulose-nanokristallen, minuscule staafjes gewonnen uit plantaardig materiaal die zich vanzelf in gelaagde, kleurgevende patronen kunnen ordenen. Haar onderzoek richt zich onder meer op kleurstofvrije verf, coatings en cosmetica als vervanger voor pigmenten die schadelijk zijn voor het milieu.
Ook beveiligingskenmerken op bankbiljetten, zoals de kleurwisselende folie-elementen op eurobiljetten, maken gebruik van optische interferentie- en diffractie-effecten die verwant zijn aan structurele kleur, al gaat het hier vaak om een combinatie met andere optische technieken zoals hologrammen.
Hoe ver is de techniek?
Het natuurkundige principe is al decennialang goed begrepen, en de natuur bewijst dat het werkt: vlindervleugels en vogelveren bestaan al miljoenen jaren. Het lastige zit in het kunstmatig en op grote schaal namaken van die nanostructuren, betrouwbaar, goedkoop en in grote hoeveelheden.
De praktijk laat een wisselend beeld zien. Sommige commerciële pogingen, zoals Morphotex en Mirasol, zijn na verloop van tijd gestopt, niet omdat het principe niet werkte, maar omdat de productiekosten of prestaties niet konden concurreren met bestaande alternatieven zoals synthetische kleurstoffen of lcd-schermen. Tegelijk blijft er actief academisch onderzoek lopen, met geleidelijke vooruitgang in het goedkoper en schaalbaarder maken van nanostructuren, bijvoorbeeld door materialen zichzelf te laten ordenen in plaats van elke structuur apart te moeten aanbrengen.
Belangrijke obstakels blijven: het kleurbereik van kunstmatige structurele kleur is vaak nog beperkter dan bij pigmenten, de productieprocessen zijn nog relatief kostbaar op industriële schaal, en de duurzaamheid en slijtvastheid van de nanostructuren onder dagelijks gebruik (wassen, wrijven, zonlicht) is niet altijd vanzelfsprekend. Structurele kleur is daarmee vooralsnog vooral een onderzoeksveld met kleinschalige of niche-toepassingen, en geen mainstream vervanger van verf of kleurstof.
Wie werken eraan?
Het onderzoek naar structurele kleur is sterk academisch van aard en verspreid over meerdere landen. Aan de University of Cambridge in het Verenigd Koninkrijk werkt de groep van Silvia Vignolini aan plantaardige en duurzame structurele kleur. In de Verenigde Staten doet onder meer het Massachusetts Institute of Technology (MIT), met onderzoekers als Mathias Kolle, werk aan bio-geïnspireerde kleurmaterialen. De University of Exeter in het Verenigd Koninkrijk geldt met natuurkundige Peter Vukusic als een van de pioniers in het ontrafelen van hoe vlindervleugels hun kleur krijgen.
Verder wordt er onderzoek gedaan bij diverse universiteiten en materiaalinstituten in Japan, China en binnen Europese onderzoeksprogramma's, vaak in combinatie met nanotechnologie- en fotonicaonderzoek dat ook voor andere toepassingen relevant is, zoals optische chips en sensoren. Op het vlak van toepassing zijn het vooral gespecialiseerde materiaalbedrijven, en delen van de cosmetica-, verf- en textielindustrie die de technologie verkennen als schonere vervanger van pigmenten, naast displayfabrikanten die af en toe reflectieve, interferentiegebaseerde schermtechnologie onderzoeken. Concrete grote doorbraken op commerciële schaal zijn er nog niet; het blijft grotendeels een combinatie van universitair onderzoek en kleine start-ups.
Verder lezen
- Structurele kleur op Wikipedia (Nederlands)
- Structural coloration op Wikipedia (Engels, uitgebreider)
- Nature - wetenschappelijk vakblad met onderzoek naar fotonica en materialen
- University of Cambridge - onderzoek naar duurzame structurele kleur
- Royal Society of Chemistry - achtergrond over materialen en kleurwetenschap