Ribosoomengineering: de eiwitfabriek van de cel omgebouwd
Elke cel in ons lichaam bevat piepkleine fabriekjes die continu eiwitten aanmaken: de ribosomen. Zo'n ribosoom leest een soort bouwtekening (het mRNA, een kopie van een stukje DNA) en rijgt op basis daarvan bouwstenen, aminozuren genoemd, aan elkaar tot een eiwit. Dit gebeurt in vrijwel elke levensvorm op aarde op nagenoeg dezelfde manier, met dezelfde twintig aminozuren als basisbouwstenen.
Ribosoomengineering is het vakgebied waarin wetenschappers deze fabriek zelf ombouwen. Vergelijk het met een 3D-printer die van oudsher maar twintig soorten filament kan verwerken: engineers proberen de printkop zo aan te passen dat hij ook nieuwe, kunstmatige materialen kan verwerken, of zelfs een compleet nieuw soort printer te bouwen. Zo proberen onderzoekers ribosomen te maken die extra of andere bouwstenen kunnen inbouwen, wat de deur opent naar eiwitten en materialen die de natuur nooit heeft gemaakt.
Wat is het precies?
Om te begrijpen wat er wordt aangepast, helpt het om te weten hoe een ribosoom normaal werkt. Het mRNA bestaat uit een lange reeks van vier soorten "letters" (nucleotiden), die in groepjes van drie worden gelezen. Zo'n groepje van drie heet een codon. Elk codon correspondeert met één specifiek aminozuur, of met een stopsignaal. Een los molecuul genaamd tRNA herkent een codon en levert het bijbehorende aminozuur aan, waarna het ribosoom het aan de groeiende eiwitketen vastplakt.
Ribosoomengineering grijpt op verschillende plekken in dit proces in. Een eerste aanpak is het maken van orthogonale ribosomen: ribosomen die zijn losgekoppeld van het normale vertaalsysteem van de cel, zodat ze alleen speciaal gemarkeerde mRNA's vertalen. Omdat ze apart opereren, verstoren ze de normale, essentiële eiwitproductie van de cel niet, ook al doen ze zelf iets ongewoons.
Een tweede aanpak heet genetic code expansion (uitbreiding van de genetische code): onderzoekers koppelen een ongebruikt of kunstmatig codon aan een geheel nieuw, non-canoniek aminozuur (een bouwsteen die niet tot de natuurlijke twintig behoort). Daarvoor is niet alleen een aangepast ribosoom nodig, maar ook een bijpassend tRNA en een enzym dat dat tRNA van het juiste, nieuwe aminozuur voorziet. Sommige onderzoeksgroepen gaan nog verder en laten ribosomen codons van vier letters lezen in plaats van de gebruikelijke drie, waardoor er in theorie veel meer nieuwe "woorden" beschikbaar komen.
Een derde, meer ingrijpende aanpak is het bouwen van een ribosoom dat structureel anders in elkaar zit. Een natuurlijk ribosoom bestaat uit twee losse delen (subeenheden) die tijdells de eiwitaanmaak samenwerken. Onderzoekers hebben een variant gemaakt waarbij die twee delen kunstmatig aan elkaar zijn vastgemaakt, ofwel "getetherd". Dat klinkt als een detail, maar het bewijst dat de bouw van het ribosoom zelf, iets wat miljarden jaren nauwelijks veranderd is, wel degelijk aanpasbaar is.
Wat wil men ermee bereiken?
De belangrijkste drijfveer is het maken van eiwitten met eigenschappen die de natuur niet biedt. Een non-canoniek aminozuur kan bijvoorbeeld dienen als chemisch "haakje" waaraan later een geneesmiddel, kleurstof of ander molecuul wordt vastgeplakt, op precies de plek waar de onderzoeker dat wil. Dat is bijvoorbeeld nuttig bij het maken van gerichte kankermedicijnen die een antilichaam combineren met een celdodende stof.
Een tweede doel is biologische veiligheid, ook wel biocontainment genoemd. Als een organisme is gebouwd om voor een essentieel onderdeel afhankelijk te zijn van een kunstmatig aminozuur dat in de natuur niet voorkomt, kan het buiten het laboratorium simpelweg niet overleven of zich voortplanten. Dat maakt genetisch gemodificeerde organismen inherent veiliger om mee te werken.
Daarnaast is er een meer fundamenteel doel: begrijpen hoe de genetische code, een van de meest universele en oudste kenmerken van het leven, is ontstaan en waarom die er precies zo uitziet. Door te testen hoe ver je het systeem kunt uitrekken zonder dat het instort, leren onderzoekers iets over de grenzen en de evolutie van het leven zelf. Op de langere termijn dromen sommige wetenschappers van ribosomen die niet alleen eiwitten, maar geheel nieuwe soorten polymeren maken, met chemische bouwstenen die niets met aminozuren te maken hebben.
Voorbeelden uit de praktijk
Het onderzoek van Jason Chin en zijn team aan het MRC Laboratory of Molecular Biology in Cambridge (VK) geldt als pionierswerk. Vanaf ongeveer 2005 ontwikkelden zij orthogonale ribosoom-mRNA-paren, en later ook ribosomen die codons van vier letters kunnen lezen in plaats van drie, waarmee ze extra ruimte in de genetische code creëerden.
In 2019 publiceerde datzelfde lab een volledig synthetisch, hergecodeerd genoom van de bacterie E. coli, bekend als Syn61. Daarbij werden overbodig geworden codons door het hele genoom vervangen, zodat ze in de toekomst vrij beschikbaar zijn om te koppelen aan nieuwe, aangepaste vertaalmachinerie.
In 2015 publiceerden Alexander Mankin (University of Illinois Chicago) en Michael Jewett (Northwestern University) in het tijdschrift Nature hun werk aan Ribo-T, een ribosoom waarvan de twee subeenheden kunstmatig aan elkaar zijn gekoppeld. Dit liet voor het eerst zien dat een functionerend ribosoom fundamenteel anders gebouwd kan worden dan het natuurlijke exemplaar.
George Church en collega's van de Harvard Medical School publiceerden in 2013 een genomisch hergecodeerde E. coli-stam, C321.ΔA, waarin een stopcodon door het volledige genoom heen is vervangen. Dat maakte dat codon vrij om opnieuw te gebruiken voor de inbouw van een non-canoniek aminozuur.
Op het vlak van toepassing is het Amerikaanse bedrijf Sutro Biopharma een voorbeeld van vroege commercialisering. Het bedrijf gebruikt cel-vrije eiwitsynthese, waarbij eiwitten niet in een levende cel maar in een reageerbuis met losse celonderdelen (waaronder ribosomen) worden gemaakt, om geneesmiddelen te produceren waarin non-canonieke aminozuren als precieze aanhechtingspunten dienen.
Het is belangrijk deze voorbeelden in perspectief te plaatsen: het gaat vrijwel allemaal om onderzoek en vroege biotech-toepassingen, niet om alledaagse of grootschalig uitgerolde technologie.
Hoe ver is de techniek?
Ribosoomengineering is grotendeels nog fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, met hier en daar voorzichtige, vroege toepassingen in de biotechindustrie. Het ribosoom is een van de meest geconserveerde moleculaire machines die er bestaat, wat betekent dat de evolutie er in miljarden jaren nauwelijks iets aan heeft veranderd. Dat maakt het knap lastig om ermee te sleutelen zonder dat het systeem stopt met functioneren.
Een belangrijk obstakel is efficiëntie: aangepaste ribosomen werken doorgaans trager en minder nauwkeurig dan hun natuurlijke tegenhangers. Ook is het lastig om een aangepast systeem echt "orthogonaal", dus volledig gescheiden van de rest van de celmachinerie, te houden zonder dat het de normale, essentiële eiwitproductie verstoort.
Daarnaast ligt de meeste vooruitgang tot nu toe bij het toevoegen van één of een klein aantal non-canonieke aminozuren aan een verder normaal eiwit. De stap naar echt nieuwe polymeerchemie, waarbij een ribosoom bouwstenen verwerkt die niets meer met aminozuren te maken hebben, is een veel grotere en nog grotendeels onopgeloste uitdaging.
Sommige toepassingen staan al verder dan andere. Cel-vrije productiesystemen voor gespecialiseerde geneesmiddeleiwitten, zoals bij Sutro Biopharma, zijn al onderdeel van een commercieel proces. Volledig synthetische ribosomen die functioneren binnen een levend organisme, zoals Ribo-T, blijven vooralsnog voornamelijk een onderzoeksinstrument.
Wie werken eraan?
Enkele van de bekendste namen in dit veld zijn Jason Chin en zijn team aan het MRC Laboratory of Molecular Biology in Cambridge (Verenigd Koninkrijk), die toonaangevend zijn op het gebied van orthogonale ribosomen en het uitbreiden van de genetische code. In de Verenigde Staten werken Alexander Mankin (University of Illinois Chicago) en Michael Jewett (Northwestern University) samen aan synthetische ribosoomarchitecturen zoals Ribo-T, terwijl George Church aan de Harvard Medical School bekendstaat om zijn werk aan genomisch hergecodeerde organismen.
Op commercieel vlak is Sutro Biopharma (VS) een voorbeeld van een bedrijf dat deze technologie richting geneesmiddelontwikkeling brengt via cel-vrije eiwitsynthese.
Breder gezien maakt ribosoomengineering deel uit van het vakgebied synthetische biologie, met onderzoeksgroepen verspreid over vooral de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, en een groeiende onderzoeksinspanning in landen als China. Precieze, actuele overzichten van alle betrokken groepen wereldwijd zijn niet eenvoudig te geven, omdat het een snel groeiend en verspreid onderzoeksveld is.
Verder lezen
- Nature — wetenschappelijk tijdschrift waarin belangrijke doorbraken op dit gebied zijn gepubliceerd
- MRC Laboratory of Molecular Biology — onderzoeksinstituut waar het lab van Jason Chin is gevestigd
- Sutro Biopharma — bedrijf dat cel-vrije eiwitsynthese met aangepaste vertaalmachinerie commercieel toepast
- National Human Genome Research Institute — achtergrondinformatie over de genetische code en genoomonderzoek