CO2-equivalent: één maatstaf voor alle broeikasgassen
Als je het nieuws volgt, kom je de term CO2-equivalent (vaak afgekort tot CO2-eq of CO2e) voortdurend tegen: "Nederland stootte vorig jaar 155 megaton CO2-equivalent uit" of "deze vlucht kost je 200 kilo CO2-equivalent". Maar de atmosfeer bevat helemaal niet alleen CO2. Er zitten ook methaan, lachgas en allerlei andere broeikasgassen in, elk met een eigen opwarmend effect. CO2-equivalent is de rekeneenheid waarmee al die verschillende gassen worden omgerekend naar één gemeenschappelijke maat, zodat je ze kunt optellen en vergelijken.
Vergelijk het met vreemde valuta. Als je de economische schade van drie landen wilt vergelijken, kun je niet zomaar Amerikaanse dollars, Japanse yen en Britse ponden bij elkaar optellen: je zet ze eerst om naar euro's. CO2-equivalent doet hetzelfde met broeikasgassen. Methaan uit een koeienstal, lachgas uit een kunstmestfabriek en CO2 uit een kolencentrale worden allemaal 'omgewisseld' naar de hoeveelheid CO2 die eenzelfde opwarmend effect zou hebben. Zo ontstaat één getal waarmee wetenschappers, bedrijven en beleidsmakers kunnen rekenen.
Wat is het precies?
De basis van CO2-equivalent is een getal dat Global Warming Potential heet, afgekort GWP. Dat drukt uit hoeveel sterker een bepaald gas de aarde opwarmt dan CO2, gemeten over een vaste periode, meestal honderd jaar. CO2 zelf heeft per definitie een GWP van 1. Methaan (CH4), het gas dat vrijkomt bij veeteelt, moerassen en lekkende gasleidingen, heeft een GWP100 van ongeveer 28 tot 30: één kilo methaan warmt de aarde dus ongeveer even veel op als 28 tot 30 kilo CO2, gerekend over honderd jaar. Lachgas (N2O), dat onder meer vrijkomt uit kunstmest, zit rond de 273.
Om aan die getallen te komen, kijken wetenschappers naar twee dingen: hoe goed een gasmolecuul infrarode straling (warmte) vasthoudt in de atmosfeer, en hoe lang het gas daar blijft voordat het afbreekt of wordt opgenomen. CO2 blijft eeuwenlang in de lucht hangen, methaan breekt binnen ongeveer twaalf jaar grotendeels af, maar is in die periode wel veel krachtiger als het om het vasthouden van warmte gaat. Deze GWP-waarden worden vastgesteld door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), het wetenschappelijke klimaatpanel van de Verenigde Naties, en periodiek herzien naarmate het onderzoek preciezer wordt.
De berekening zelf is dan simpel vermenigvuldigen: de uitstoot van een gas in kilo's of tonnen wordt vermenigvuldigd met het GWP-getal van dat gas. Stoot een boerderij 10 ton methaan uit, dan tel je dat mee als ongeveer 280 tot 300 ton CO2-equivalent. Alle omgerekende hoeveelheden van alle gassen worden vervolgens simpelweg bij elkaar opgeteld tot één totale CO2-eq-uitstoot.
Wat wil men ermee bereiken?
Het doel is vergelijkbaarheid en overzicht. Zonder een gemeenschappelijke eenheid zou elk klimaatrapport, elk bedrijf en elk land zijn eigen mix van gassen apart moeten rapporteren, wat vergelijken en optellen onmogelijk maakt. CO2-equivalent maakt het mogelijk om internationale klimaatafspraken te maken met één duidelijk getal als doel, zoals 'in 2030 55 procent minder CO2-equivalent uitstoten dan in 1990', de doelstelling die de Europese Unie hanteert.
Daarnaast helpt het bij het maken van keuzes. Beleidsmakers en bedrijven kunnen met CO2-equivalent bepalen waar de grootste klimaatwinst te behalen valt: is het effectiever om methaanlekkages bij gaswinning te dichten, of om kolencentrales te sluiten? Omdat beide in dezelfde eenheid worden uitgedrukt, is die afweging in principe rechtstreeks te maken. Ook consumenten krijgen er via voetafdrukcalculators en productlabels een handvat mee om de klimaatimpact van keuzes te vergelijken, van een vliegreis tot een pak vlees.
Voorbeelden uit de praktijk
Het Kyoto Protocol uit 1997 was het eerste grote internationale klimaatverdrag dat met CO2-equivalent werkte. Het verdrag bond zes broeikasgassen samen (CO2, methaan, lachgas en drie groepen fluorgassen) in één gezamenlijk reductiedoel, uitgedrukt in CO2-eq.
Het GHG Protocol, opgezet in 2001 door het World Resources Institute en de World Business Council for Sustainable Development, is wereldwijd de meest gebruikte standaard waarmee bedrijven hun uitstoot berekenen en rapporteren. Vrijwel elk groot bedrijf dat een 'CO2-voetafdruk' publiceert, gebruikt deze methode, onderverdeeld in directe uitstoot (scope 1), uitstoot van ingekochte energie (scope 2) en uitstoot in de hele keten (scope 3).
Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS), actief sinds 2005, verhandelt uitstootrechten in tonnen CO2-equivalent. Bedrijven in bijvoorbeeld de staal- en energiesector moeten voor elke ton CO2-eq die ze uitstoten een recht bezitten, wat een prijs op uitstoot zet.
In Nederland rapporteren het CBS en de landelijke Emissieregistratie (uitgevoerd door onder meer RIVM en TNO) jaarlijks de nationale broeikasgasuitstoot in megaton CO2-equivalent, de basis voor de voortgangsrapportages van het Nederlandse Klimaatakkoord uit 2019.
Ook op productniveau wordt het gebruikt: sinds enkele jaren tonen sommige supermarktketens en voedingsbedrijven, zoals Oatly en enkele Nederlandse zuivelmerken, CO2-equivalent-labels op verpakkingen om de klimaatimpact per product inzichtelijk te maken.
Hoe ver is de techniek?
CO2-equivalent is geen technologie die nog moet 'rijpen', maar een rekenmethode die al decennia in gebruik is en gestaag wordt verfijnd. De GWP-waarden worden bij elk nieuw IPCC-rapport bijgewerkt op basis van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht; het zesde assessment-rapport (AR6, 2021) bevatte weer iets andere getallen dan de rapporten daarvoor.
Een belangrijk discussiepunt is de gekozen tijdshorizon. De standaard honderd jaar (GWP100) is een beleidskeuze, geen natuurwet. Reken je met een horizon van twintig jaar (GWP20), dan komt methaan veel zwaarder naar voren, met een GWP van rond de 80 in plaats van 28 tot 30, omdat het gas dan nog volop actief is en nog niet is afgebroken. Wetenschappers wijzen erop dat de keuze voor honderd jaar het effect van kortlevende maar krachtige gassen als methaan kan onderschatten, wat relevant is nu juist de komende decennia cruciaal zijn om verdere opwarming te beperken.
Een ander punt van kritiek is dat één enkel getal per gas de werkelijkheid versimpelt: het GWP houdt geen rekening met waar of wanneer een gas vrijkomt, en evenmin met bijeffecten zoals luchtvervuiling. Ook ontbreken in de gangbare berekeningen soms lastig te meten bronnen, zoals uitstoot uit ontdooiende permafrost of bepaalde landgebruiksveranderingen, waardoor nationale CO2-eq-cijfers altijd met een bepaalde onzekerheidsmarge worden gepresenteerd. Toch is er brede wetenschappelijke consensus dat CO2-equivalent, ondanks deze beperkingen, verreweg het bruikbaarste instrument is dat er is om broeikasgassen onderling te vergelijken.
Wie werken eraan?
Het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, stelt via zijn Assessment Reports de GWP-waarden vast die wereldwijd als standaard gelden. Onder de VN-klimaatorganisatie UNFCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change) rapporteren landen hun officiële uitstootcijfers in CO2-equivalent, zoals afgesproken in het Kyoto Protocol en later de Overeenkomst van Parijs (2015).
Op bedrijfsniveau zijn het World Resources Institute en de World Business Council for Sustainable Development de beheerders van het GHG Protocol. De internationale normalisatie-organisatie ISO onderhoudt met de ISO 14064-reeks een aanvullende standaard voor het meten en verifiëren van broeikasgasuitstoot.
In Nederland zijn het CBS, het RIVM en TNO de instanties die de nationale emissiecijfers berekenen en publiceren, in opdracht van het ministerie van Klimaat en Groene Groei. Op Europees niveau coördineert het Europees Milieuagentschap (EEA) de rapportages van alle EU-lidstaten.