Kennisbank

Bimodale nucleaire motor: voortstuwing én stroom uit één reactor

Bijgewerkt: 29 augustus 2026 · 6 min leestijd

Stel je een cv-ketel voor die niet alleen je huis verwarmt, maar tegelijk ook stroom opwekt voor je apparaten. Dat principe — twee nuttige functies uit één warmtebron halen — is precies waar een bimodale nucleaire motor om draait, maar dan in een ruimtevaartuig. Zo'n motor gebruikt een kernreactor om in de ene modus een raket vooruit te stuwen, en in de andere modus elektriciteit te leveren aan de rest van het toestel: computers, instrumenten, communicatieapparatuur.

Het woord 'bimodaal' betekent simpelweg 'met twee bedrijfsmodi'. De eerste modus is nucleair-thermische voortstuwing: de reactor verhit een gas, meestal waterstof, tot extreme temperaturen en stuwt dat gas via een mondstuk naar buiten, net als bij een gewone raketmotor maar dan met een kernreactor als warmtebron in plaats van een chemische verbranding. De tweede modus schakelt de reactor om naar een zuinigere stand waarin hij, via een generator, elektriciteit produceert voor de lange duur van een missie. Eén reactor, twee taken — dat scheelt gewicht en complexiteit ten opzichte van het meenemen van twee aparte systemen.

Wat is het precies?

Een kernreactor wekt warmte op door kernsplijting: atoomkernen van bijvoorbeeld verrijkt uranium worden gespleten, waarbij grote hoeveelheden energie vrijkomen als warmte. In een gewone kerncentrale op aarde wordt die warmte gebruikt om water tot stoom te koken en zo een turbine aan te drijven. In een nucleair-thermische raketmotor gebeurt iets vergelijkbaars maar directer: waterstofgas stroomt door het hete reactorhart, warmt daar op tot duizenden graden, zet enorm uit en wordt vervolgens door een mondstuk (nozzle) naar buiten geperst. Die uitstroom levert de stuwkracht.

Het bijzondere aan een bimodaal ontwerp is dat dezelfde reactor ook dienst kan doen als stroombron. Na de stuwfase — die relatief kort duurt, van enkele minuten tot een paar uur, om het toestel op de juiste koers en snelheid te brengen — kan de reactor worden teruggeschakeld naar een lager, stabieler vermogen. In die stand wordt de restwarmte via een generator (bijvoorbeeld een thermo-elektrische of turbine-gebaseerde omzetter) omgezet in elektriciteit, die het ruimtevaartuig gedurende de rest van de missie, soms jarenlang, van stroom voorziet.

Belangrijk om te onthouden: dit is iets anders dan nucleair-elektrische voortstuwing, waarbij een reactor uitsluitend stroom levert aan elektrische ionmotoren die heel zuinig maar met weinig stuwkracht werken. Een bimodaal systeem combineert juist de snelle, krachtige stuwkracht van een thermische raket met de vermogensvoorziening van een elektrische generator, in één en hetzelfde toestel.

Wat wil men ermee bereiken?

De belangrijkste motivatie is efficiëntie. Ingenieurs drukken de efficiëntie van een raketmotor uit in specifieke impuls: hoeveel stuwkracht je krijgt per kilogram verbruikte brandstof. Nucleair-thermische motoren halen ruwweg het dubbele van de beste chemische raketmotoren. Dat betekent dat een ruimtevaartuig met minder brandstof verder kan komen, of met dezelfde hoeveelheid brandstof sneller kan reizen.

Voor een bemande Marsmissie is dat geen detail. Een kortere reistijd — mogelijk enkele maanden korter dan met chemische voortstuwing — betekent minder blootstelling van de bemanning aan kosmische straling en minder tijd doorgebracht met beperkte voorraden in een kleine cabine. Daarnaast biedt de tweede modus, de stroomopwekking, een praktisch voordeel voor missies naar plekken waar zonne-energie te zwak is, zoals de buitenplaneten: één reactor kan dan zowel de reis erheen versnellen als jarenlang instrumenten van stroom voorzien zonder enorme zonnepanelen mee te hoeven slepen.

Er is ook een strategische component. Ruimtevaartorganisaties en defensieonderzoek zien nucleaire voortstuwing als een manier om sneller te kunnen manoeuvreren tussen banen om de aarde of de maan (het zogeheten cislunaire gebied), wat relevant is voor zowel wetenschappelijke als veiligheidsdoeleinden.

Voorbeelden uit de praktijk

Het idee is niet nieuw. Tussen 1955 en 1972 liep in de Verenigde Staten het Rover/NERVA-programma, geleid door het Los Alamos National Laboratory, waarin verschillende nucleair-thermische raketmotoren op de grond werden getest en flink wat vermogen leverden. Er is echter nooit een exemplaar daadwerkelijk gelanceerd; het programma werd stopgezet toen de belangstelling voor bemande Marsmissies na de Apollo-jaren afnam.

In de jaren tachtig en negentig onderzocht het Amerikaanse leger, in het kader van het Strategic Defense Initiative, met het Timberwind/SNTP-programma compactere nucleaire motoren, eveneens zonder dat het tot een vlucht kwam. Begin jaren 2000 startte NASA Project Prometheus, met als vlaggenschip de JIMO-missie (Jupiter Icy Moons Orbiter), gericht op nucleair-elektrische voortstuwing naar de ijsmanen van Jupiter. Het project werd in 2005 geschrapt vanwege de hoge kosten.

Actueler is DRACO (Demonstration Rocket for Agile Cislunar Operations), een samenwerking tussen het Amerikaanse defensie-onderzoeksbureau DARPA en NASA. In 2023 kreeg Lockheed Martin de opdracht om een demonstratievaartuig te bouwen, met het bedrijf BWXT Technologies verantwoordelijk voor het reactorontwerp en de splijtstof. Aanvankelijk werd gemikt op een testvlucht rond 2025-2027; die planning is inmiddels opgeschoven, wat gebruikelijk is bij programma's met nucleaire techniek.

Rusland werkt via de ruimtevaartorganisatie Roscosmos en het Keldysh Research Center al langer aan een nucleair aangedreven Transport-Energiemodule (TEM), soms genoemd in verband met het bredere Nuklon-project, gericht op onder meer verkenning van Mars en de maan. Concrete testvluchten zijn herhaaldelijk uitgesteld en er is weinig onafhankelijk te verifiëren informatie over de huidige status.

Een verwant maar apart project is Kilopower, een klein experiment van NASA en het Idaho National Laboratory dat in 2018 op aarde werd getest onder de naam KRUSTY. Dit betreft geen voortstuwing maar een compacte kernreactor voor stroomvoorziening op een maan- of Marsbasis. Het is de moeite waard om te noemen omdat het laat zien dat kleinschalige nucleaire technologie voor de ruimte wél al met succes op aarde is getest, zij het voor een ander doel dan bimodale voortstuwing.

Hoe ver is de techniek?

Op dit moment heeft geen enkele bimodale nucleaire motor daadwerkelijk in de ruimte gevlogen. Alle genoemde projecten bevinden zich in de fase van ontwerp, laboratoriumtests van deelcomponenten, of — in het beste geval, zoals bij DRACO — de voorbereiding van een eerste demonstratievlucht. Dat er nog niets gevlogen heeft, zegt iets over hoe moeilijk deze techniek is.

Een groot obstakel is materiaalkunde: de splijtstofstaven moeten temperaturen van meer dan 2000 graden Celsius doorstaan zonder te smelten, te vervormen of radioactief materiaal te lekken in de waterstofstroom die als stuwstof dient. Dat vereist geavanceerde, hittebestendige splijtstofvormen die maar in beperkte mate op aarde te testen zijn.

Dat brengt een tweede probleem met zich mee: sinds de jaren negentig zijn grootschalige nucleaire grondtests, zoals die in het Rover-programma nog gewoon waren, vrijwel onmogelijk geworden door strengere milieu- en veiligheidsregels. Ontwikkelaars moeten daardoor steunen op niet-nucleaire tests (waarbij de reactorkern elektrisch wordt verhit in plaats van met splijting), deeltests van afzonderlijke componenten, en computersimulaties, wat het proces trager en onzekerder maakt.

Veiligheid bij de lancering vanaf de aarde is een derde punt van aandacht. De gangbare aanpak is dat de reactor tijdens de lancering zelf niet actief is: pas als het toestel veilig in een baan om de aarde zit, wordt de kernreactor voor het eerst op vermogen gebracht. Zo blijft het risico bij een eventuele lanceerfout beperkt tot ongesplitst, veel minder radioactief materiaal. Daarnaast gelden internationale afspraken, zoals het VN-ruimteverdrag uit 1967 (Outer Space Treaty) en aanvullende VN-principes over het gebruik van nucleaire stroombronnen in de ruimte, die eisen stellen aan veiligheid en verantwoording.

Het tempo van de ontwikkeling wordt verder bepaald door politieke en financiële keuzes: meerdere veelbelovende programma's, waaronder NERVA en Project Prometheus, zijn in het verleden niet om technische maar om budgettaire redenen stopgezet. Dat maakt voorspellingen over wanneer een bimodale motor daadwerkelijk zal vliegen, met de nodige onzekerheid omgeven.

Wie werken eraan?

In de Verenigde Staten trekken NASA en het defensie-onderzoeksbureau DARPA gezamenlijk het DRACO-programma, met Lockheed Martin als hoofdaannemer voor het ruimtevaartuig en BWXT Technologies als ontwikkelaar van de reactorbrandstof en het reactorontwerp. Het Idaho National Laboratory, het belangrijkste Amerikaanse testcentrum voor nucleaire technologie, is betrokken bij gerelateerd onderzoek zoals Kilopower en ondersteunt bredere nucleaire ruimtevaartprogramma's.

In Rusland zijn Roscosmos, de nationale ruimtevaartorganisatie, en het Keldysh Research Center de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de Transport-Energiemodule. China heeft aangekondigd interesse te hebben in nucleaire voortstuwing voor toekomstige Marsmissies, met doelstellingen die in het bereik van 2040-2045 liggen, maar over de precieze technische aanpak en voortgang is publiek weinig geverifieerde informatie beschikbaar.

Verder lezen