Amidehydrolase: het enzym dat moleculen doorknipt
Een amidehydrolase is een enzym: een eiwit dat als biologische katalysator werkt en een chemische reactie versnelt zonder daarbij zelf te worden verbruikt. Specifiek knipt een amidohydrolase een zogeheten amidebinding door, met behulp van water. Een amidebinding is een sterke chemische verbinding tussen een koolstofatoom en een stikstofatoom die je overal in de natuur en in door mensen gemaakte stoffen tegenkomt: in eiwitten, in ureum (de stof waarmee ons lichaam stikstofafval afvoert), maar ook in kunststoffen zoals nylon en in veel bestrijdingsmiddelen.
Denk aan een amidohydrolase als een heel precieze molecuulschaar. Waar een gewone schaar lukraak knipt, herkent dit enzym exact de plek waar een amidebinding zit en knipt daar, en nergens anders. Voor detoekomstisnu.nl is dit relevant omdat wetenschappers deze knip-enzymen steeds vaker naar hun hand proberen te zetten: om vervuiling af te breken, medicijnen schoner te produceren en zelfs om zenuwgas onschadelijk te maken. Geen futuristisch apparaat dus, maar een natuurlijk molecuulmachientje dat de biotechnologie leert te sturen.
Wat is het precies?
Om te begrijpen wat een amidohydrolase doet, helpt het om eerst de amidebinding zelf te begrijpen. Dit is een verbinding tussen een koolstofatoom (met een dubbele binding naar zuurstof) en een stikstofatoom. Deze binding is opvallend stabiel: hij valt niet vanzelf uiteen, wat handig is als je er een stevige plastic draad (nylon) of een robuust eiwit van wilt maken, maar lastig als je zo'n stof weer wilt afbreken.
Hydrolyse betekent letterlijk 'splitsing door water'. Een amidohydrolase gebruikt een watermolecuul als 'mes': het enzym activeert dat watermolecuul zodat het de amidebinding kan aanvallen en doorknippen. Bij de meeste amidohydrolasen zit in het actieve centrum (de plek in het enzym waar de reactie plaatsvindt) een of twee metaalionen, vaak zink, ijzer, mangaan of nikkel. Dat metaalion trekt elektronen weg van het watermolecuul, waardoor dit veel reactiever wordt en de amidebinding makkelijker kan splitsen.
Bijzonder aan amidohydrolasen is dat ze samen een grote 'superfamilie' vormen: een groep enzymen die qua bouw (met name een ringvormige eiwitstructuur die bekendstaat als het TIM-vat) sterk op elkaar lijken en van een gemeenschappelijke voorouder afstammen, maar die in de loop van de evolutie verschillende taken hebben gekregen. Zo breekt het ene familielid ureum af, een ander een bestrijdingsmiddel, en weer een ander een bouwsteen van DNA. Deze superfamilie werd eind jaren negentig door onderzoekers systematisch in kaart gebracht op basis van eiwitstructuren. In de officiële enzymclassificatie (het EC-nummersysteem, waarin elk enzymtype een uniek nummer krijgt) vallen de meeste amidohydrolasen onder de groepen EC 3.5.1 (voor rechte amideketens) en EC 3.5.2 (voor ringvormige amides).
Wat wil men ermee bereiken?
Onderzoekers hebben om uiteenlopende redenen belangstelling voor amidohydrolasen. Ten eerste bioremediatie: het opruimen van vervuiling met behulp van levende organismen of hun enzymen. Veel bestrijdingsmiddelen, industriële afvalstoffen en zelfs sommige kunststoffen bevatten amidebindingen. Enzymen die deze stoffen afbreken, kunnen in theorie worden ingezet om vervuilde bodem of grondwater te reinigen.
Ten tweede biokatalyse: het gebruik van enzymen in plaats van agressieve chemicaliën en hoge temperaturen om industriële processen te laten verlopen, bijvoorbeeld bij de productie van medicijnen. Enzymen werken vaak bij kamertemperatuur, in water en met minder bijproducten, wat past bij de wens om chemische industrie schoner te maken.
Ten derde speelt detoxificatie een rol: sommige amidohydrolase-achtige enzymen (met name fosfotriësterasen, die chemisch verwant zijn) kunnen organofosfaatverbindingen afbreken, een groep stoffen waartoe zowel bepaalde landbouwgiffen als zenuwgassen behoren. Dat maakt ze interessant voor ontsmetting na een chemisch incident.
Tot slot is er fundamenteel wetenschappelijk belang: de amidohydrolase-superfamilie is een van de beste voorbeelden waarmee biologen bestuderen hoe de evolutie één eiwitbouwplan hergebruikt voor tientallen verschillende functies. Die kennis helpt weer bij het ontwerpen van compleet nieuwe, kunstmatige enzymen.
Voorbeelden uit de praktijk
Urease is wellicht het beroemdste lid van deze enzymfamilie. Het breekt ureum af tot ammoniak en koolstofdioxide en komt voor in bonen, bacteriën en de maagbacterie Helicobacter pylori. Urease uit de jackboon was in 1926 het allereerste enzym dat ooit in zuivere, kristallijne vorm werd geïsoleerd, door de Amerikaanse biochemicus James B. Sumner. Die ontdekking bewees voor het eerst dat enzymen eiwitten zijn, en leverde Sumner in 1946 de Nobelprijs op.
Atrazinechloorhydrolase (AtzA) is een bacterieel enzym dat de afbraak inzet van atrazine, decennialang een van de meest gebruikte onkruidverdelgers ter wereld en een hardnekkige grondwatervervuiler. Het enzym werd in de jaren negentig geïsoleerd uit de bacterie Pseudomonas sp. ADP, onder meer door de onderzoeksgroep van Lawrence Wackett aan de University of Minnesota, en vormt een schoolvoorbeeld van hoe bodembacteriën binnen enkele decennia enzymen 'evolueren' om een door de mens gemaakte stof te kunnen verteren.
Fosfotriësterase (PTE), ook wel organofosfaathydrolase genoemd, is afkomstig uit bodembacteriën en breekt organofosfaatverbindingen af, waaronder het landbouwgif parathion. Sinds het einde van de jaren tachtig wordt dit enzym, onder andere door de groep van Frank Raushel aan Texas A&M University, verder onderzocht en aangepast, mede met het oog op het onschadelijk maken van zenuwgassen zoals sarine.
Nylon-oligomeerhydrolase is misschien wel het opvallendste voorbeeld: in de jaren zeventig ontdekten Japanse onderzoekers, onder wie Kinoshita, een bacteriestam (Flavobacterium/Arthrobacter sp. KI72) bij een nylonfabriek die kleine restproducten van nylon-6 als voedingsbron gebruikte. Latere studies, onder meer door Negoro, brachten de betrokken enzymen (aangeduid als NylA, NylB en NylC) in kaart. Dit geldt als een van de eerste gedocumenteerde gevallen waarin bacteriën binnen decennia een nieuw enzym 'uitvonden' om een volledig synthetische stof aan te kunnen.
Ook in de geneeskunde duiken verwante deaminasen op (enzymen die stikstofgroepen verwijderen via een vergelijkbaar hydrolysemechanisme), zoals cytosinedeaminase, dat wordt onderzocht als onderdeel van een kankertherapie waarbij een onschadelijke voorloperstof pas in tumorcellen wordt omgezet in een werkzaam, giftig medicijn.
Hoe ver is de techniek?
Wetenschappelijk gezien is het onderzoeksveld volwassen: van tientallen amidohydrolasen is de driedimensionale structuur al jaren tot decennia bekend, en de basiswerking van het metaalgedreven knipmechanisme is goed begrepen. Sommige verwante enzymen, zoals amidasen en nitrilasen die op vergelijkbare wijze werken, worden al op industriële schaal ingezet, bijvoorbeeld bij de productie van bepaalde chemicaliën en farmaceutische bouwstenen.
Waar het minder ver is, is de toepassing buiten het laboratorium. Met technieken als gerichte evolutie (waarbij onderzoekers een enzym in het lab gecontroleerd laten muteren en selecteren op betere prestaties) en computergestuurd eiwitontwerp worden amidohydrolasen steeds sneller, stabieler en specifieker gemaakt. Toch blijft grootschalige inzet, bijvoorbeeld het daadwerkelijk opruimen van met atrazine vervuild grondwater met deze enzymen, vooralsnog vooral een kwestie van laboratorium- en pilotonderzoek. Belangrijke obstakels zijn de beperkte stabiliteit van enzymen buiten gecontroleerde omstandigheden, de kosten van grootschalige productie, en de vraag hoe je een enzym gericht en veilig in een open omgeving als bodem of oppervlaktewater krijgt zonder ongewenste neveneffecten.
Voor de afbraak van organofosfaten voor ontsmettingsdoeleinden zijn wel praktische toepassingen ontwikkeld, zoals enzym-bevattende doekjes en sprays, al blijft veel van dit werk kleinschalig en deels vertrouwelijk vanwege de defensiecontext. Nylon-afbrekende enzymen blijven vooral een onderzoeksonderwerp: ze breken kleine restproducten van nylon af, maar zijn (nog) geen oplossing voor het grootschalige plasticafvalprobleem, waarvoor bovendien andere polymeren en andere enzymklassen relevanter zijn.
Wie werken eraan?
Academisch onderzoek naar amidohydrolasen en verwante enzymen is verspreid over de wereld. In de Verenigde Staten zijn de University of Minnesota (bekend om onderzoek naar microbiële afbraakroutes van bestrijdingsmiddelen) en Texas A&M University (bekend om onderzoek naar fosfotriësterasen) al decennia toonaangevend. Structuurgegevens van amidohydrolasen worden wereldwijd verzameld in publieke databanken zoals de Structure-Function Linkage Database, die wordt gehost door de University of California, San Francisco.
In Japan hebben onderzoeksgroepen, voortbouwend op het werk van Kinoshita en Negoro, decennialang onderzoek gedaan naar de nylon-afbrekende enzymen. Op het gebied van militaire ontsmetting en decontaminatie financieren Amerikaanse instanties als het leger en DARPA (het onderzoeksagentschap van het Amerikaanse ministerie van Defensie) onderzoek naar fosfotriësterasen die zenuwgassen kunnen afbreken.
Op industrieel vlak ontwikkelen biotechbedrijven als Novozymes (Denemarken) en Codexis (Verenigde Staten) al langer geoptimaliseerde hydrolasen en aanverwante enzymen voor toepassingen in de chemische en farmaceutische industrie. In Nederland doen onderzoeksgroepen aan onder meer de TU Delft en Wageningen University & Research onderzoek naar biokatalyse en enzymtechnologie in bredere zin, een veld waarbinnen amidohydrolasen als voorbeeld en bouwsteen worden gebruikt, al is dit een relatief smalle niche binnen de bredere biotechnologiesector.
Verder lezen
- UniProt – doorzoekbare databank met eiwit- en enzyminformatie, inclusief amidohydrolasen
- RCSB Protein Data Bank – wereldwijde databank met driedimensionale eiwitstructuren
- Structure-Function Linkage Database (SFLD) – classificatie van enzymsuperfamilies, waaronder de amidohydrolasen
- KEGG – databank van metabole routes en enzymreacties